Eindexamen VMBO – Wiskunde

Wat zit er vaak in een eindexamen? Wat kan ik doen om me het beste voor te bereiden? Zijn er nog wat technische tips voor me? Hieronder vind je heel wat nuttige tips en informatie!

Het eindexamen zelf

Bij het uitwerken van de opdrachten moet je erop letten dat een eindexamen wiskunde géén quiz is waar je naar de volgende rond mag als je snel het juiste antwoord weet. Het gaat om het proces. Het juiste antwoord zelf levert vaak weinig punten op. Je berekeningen leveren juist veel punten op. Laat met berekeningen zien hoe je tot je antwoord gekomen bent.

Vorm

  1. Zet je naam, je klas en je docentcode erboven.
  2. Schrijf rustig en probeer zo duidelijk mogelijk te schrijven.
  3. Hou 2 lege regels aan tussen elke opdracht.
  4. Sla je een vraag over? Dan laat een ruimte van 10 lege regels open. Zodat je duidelijk kan zien welke vragen je eerst overgeslagen hebt. En je hebt ruimte genoeg als je hem later nog maakt. En anders maak je de opdracht achterop.
  5. Er is papier genoeg. Vraag gerust om een extra (klad-) blaadje.
  6. Als je jouw manier van werken wil toelichten gebruik dan steekwoorden, geen lappen tekst.
  7. Te weinig ruimte, bijvoorbeeld bij een verbetering, verwijs dan naar het eind van je antwoordblad. Want daar staat dan de rest. Of liever nog maak de opdracht achteraan nog een keer en kras dan de foute variant door.
  8. Wil je een fout eruit halen, kras hem dan gewoon door. Netjes met geodriehoek, niet als peutertekening.
  9. Je geeft duidelijk aan wat je antwoord is. Dus na alle berekeningen schrijf je op: “ANTWOORD:”  …….. Ook al is het een herhaling van wat erboven al staat. Je mag dit ook nog eens markeren.
  10. Zorg dat je je spullen op orde hebt. Pen, potlood, geodriehoek (die helder genoeg is om te kunnen aflezen), koershoekmeter, en rekenmachine. Ook een passer voor alle zekerheid.

Technische tips

Afronden: Bij het afronden hou je aan wat er in de opdracht staat. Staat er bij de opdracht niets, dan hou je de standaard aan. En die standaard is afronden is op 1 decimaal. Geld rond je af op hele getallen (€ 150) óf op 2 decimalen (€13,99). Hoeken rond je af op hele getallen. Bij mensen en dieren etc. rond je af op helen, ligt aan de situatie wanneer 5,5 afgerond wordt naar 5 of 6. Het “liftprobleem” hoeveel mensen passen erin wordt het 5. Maar hoeveel mensen heb je op een veld geteld dan zijn het er 6. En soms rond je ook op helen af als de getallen in het verhaal al op duizenden bijvoorbeeld zijn afgerond of op helen staan.

Bij de tussenberekeningen rond je NIET af. Je schrijft eventuele tussen uitkomsten in het geheel op. Of je geeft aan dat je berekening afgekort is. Bijvoorbeeld AB ≈ 15, 987….
Dus: alleen het antwoord rond je af op de juiste manier.

Alle berekeningen moet je opschrijven. Dus alles wat je in je rekenmachine typt, moet ook op papier komen. En ook alle berekeningen die je uit het hoofd doet, komen op papier.
Een cijfer dat zomaar eens verschijnt op papier KAN NIET, ook al is het overduidelijk. Bijvoorbeeld de bovenste hoek van een gelijkbenige driehoek is 44 graden. Je hebt natuurlijk maar de helft nodig en je werkt verder met 22 graden. Vergeet je 44: 2 = 22 op te schrijven, verlies je punten.
Als je de <TABLE> functie gebruikt zorg er dan voor dat je minstens 2, maar liefst nog 3 antwoorden/berekeningen vanuit de table opschrijft. Natuurlijk het juiste antwoord, maar ook 2 onjuiste (1 erboven, 1 eronder).

Kijk altijd ook even naar de formules op het formuleblad. Welke formules staan daar.

Hebben ze het over liters, dan hebben ze het over inhoud berekend met decimeters. Want je weet 1 liter = 1dm3. Reken de inhoud uit en converteer je antwoord dan naar dm3.

Bij opgaves in de vorm van “Laat met een berekening zien dat lijn AB de lengte 12 heeft”, kan je er vrij zeker van zijn dat je bij een volgende opgaves die waarde 12 weer dient te gaan gebruiken. Als die 12 namelijk niet nodig zou zijn bij een volgende opgave, zou er “Bereken lijn AB staan”.

Let op dat je zelden een en ander mag opmeten. Vaak staat erbij “Zonder op te meten”. Moet je iets opmeten of juist tekenen let er dan op dat je dat heel precies doet. De maximale afwijking die toegestaan is bedraagt 1mm.

Veel voorkomende onderwerpen

  1. SOSCASTOA. In elke eindexamen komt er minstens 1 opdracht voor waarbij je gebruik moet maken van de tangens/sinus of cosinus. Zodra je een driehoek ziet in je opgave kan je al bijna SOSCASTOA opschrijven. Let erop dat Overstaande en Schuine zijde (“OS”) tot de sinus leidt en niet de “COS”.
  2. Pythagoras. Ook vaak keer te vinden in elke eindexamen.
  3. Kwadratische formules. Heel populair. Zorg dat je de formule kan gebruiken. Dat je zelf de groeifactor en begingetal kan vaststellen en een formule kan opstellen. Dat je van een bestaande formule uit de groeifactor het percentage kan halen.
  4. Procenten. Rekenen met procenten komen ook altijd voor. Let erop de je wel de verhoudingstabel mag gebruiken maar dat deze niet als berekening geldt. Wat je intypt in je rekenmachine moet ook op papier geschreven worden.
  5. Laatste jaren ook vaak dat je een koers moet uitzetten op de uitwerkbijlage en dat je met de schaal moet gaan werken.
  6. Tijd-afstand-snelheid. Met twee van de drie elementen kan je de derde berekenen.
  7. Cirkels: Zorg dat je omtrek en oppervlakte van een cirkel aankan, 360 graden voor de hele cirkel, pi op je rekenmachine. Straal en diameter uit elkaar kunnen houden en goed toepassen. Formules staan op formuleblad.
  8. Inhoud van prisma is er ook zo’n eendje. Regelmatig voorkomend. Eerst oppervlakte grondvlag van de prisma berekenen (en grondvlak van prisma is NOOIT grondvlak van het plaatje in de opdracht).  En dan keer de hoogte.
  9. En driehoeken, driehoeken, driehoeken. Vooral de rechthoekige driehoek komt voor omdat je daar met Pythagoras en SOSCASTOA kan werken. Vaak zit die rechthoekige driehoek “verstopt” in een gelijkbenige driehoek, die je dan dient te halveren. Soms komt een gelijkzijdige driehoek voor.
  10. Omrekenen maateenheden en rekenen met grote getallen.